Mooie jongen

“Hoe is het gegaan vandaag?” vroeg ik nieuwsgierig aan de juf van mijn vierjarige zoon die voor het eerst naar school was geweest. ‘Nou, die is hier echt niet te handhaven hoor!’ was het verschrikkelijke antwoord, een antwoord dat mij nu – vijftien jaar later -  nog steeds in mijn geheugen gegrift staat.

Op de peuterspeelzaal hadden ze gezegd: “Hij is echt aan de basisschool toe.” Verbaal was hij namelijk erg sterk, hij kon verbazend goed tekenen, was al vroeg zindelijk en keek met zijn grote ogen al vanaf dag één wijs de wereld in. Sterker nog: toen hij werd geboren en op mijn buik gelegd, richtte hij zich op en keek mij recht aan. Alsof hij even wilde checken wat voor vlees hij in de kuip had. Daarna nestelde hij zich tevreden tegen mij aan.

Ik heb moeten knokken voor mijn oudste zoon. Op de basisschool werd alleen maar gekeken naar zijn gedragsproblemen. De schoolbegeleidingsdienst werd er op losgelaten en kwam met de diagnose: hoogbegaafd. Mooi zo. Daar konden de onderwijzers wat mee. Extra uitdaging kwam er voor het kind. Maar dat wilde hij helemaal niet! Wat een bullshit: dan deed je je best, en wat was je beloning? Nog meer werk!

Het had zijn interesse helemaal niet, die stomme school. Hij krijste dan ook de heleboel bij elkaar. Soms werd ik opgebeld om mijn zoon in bedwang te komen houden. Naar mij luisterde hij wel. En werd meteen kalm, zodra hij mijn gezicht maar zag. Buiten school om probeerde ik erachter te komen wat er nog meer met hem aan de hand kon zijn. Ik ging naar een psycholoog. Maar zij vond mij interessanter dan mijn kind. Eigenlijk leek ze wel een beetje bang voor hem.

Uiteindelijk kreeg ik het voor elkaar dat hij werd opgenomen in de Dr. Hans Berger Kliniek in Breda. Gedurende een midweek werd hij geobserveerd en op allerlei gebieden getest. En de uitslag was: PDD-NOS, en dan specifiek het Asperger Syndroom: een aan autisme verwante contactstoornis.
Nu konden we verder. Op de basisschool konden ze hier niks mee, dus ging hij, toen hij in groep 5 zat, ‘tijdelijk’ naar een school voor speciaal onderwijs. Uiteindelijk heeft hij daar zijn basisschool afgemaakt.

Hij was moeilijk. Hij hád het moeilijk. En ik máákte het hem ook moeilijk. Waarom? Ik wilde dat hij zou leren om zich aan te passen aan de maatschappij. De maatschappij zou zich namelijk nooit aanpassen aan hem. Hij had structuur nodig, kon niet tegen veranderingen. Toch stelde ik hem daaraan bloot. Bijvoorbeeld op vakantie gaan was niet zo leuk. Hij verpestte dan echt de sfeer. Pas na een week ging hij het een beetje gezellig vinden. Maar we gingen toch, elk jaar weer.

Toen hij tien jaar was, kwam ik met hem bij een fysiotherapeut terecht. Het was de bedoeling, dat zijn linker – en rechterhersenhelft zouden leren om met elkaar te communiceren, dat er een soort brug geslagen zou worden, als het ware. Maar mijn zoon vond het een ramp. En het was een drama, om hem elke keer weer mee te krijgen. Ik vroeg de fysiotherapeut of er ook andere mogelijkheden waren, want staand op één been pittenzakken overgooien van de ene hand in de andere, kon mijn zoon nou niet bepaald bekoren.
De man begon te lachen. ”Drumles!” zei hij. “Want dan leert hij, om zijn ledematen onafhankelijk van elkaar te gebruiken. En dat is enorm goed voor zijn hersenontwikkeling. Maar ja, zoiets zien maar weinig ouders zitten.”
Nou, ik wel.
Klaar met de fysiotherapie.

Hij ging op drumles. Op zijn zolderkamer kwam een mooi drumstel te staan. En het bleek een enorm succes! Hij had er plezier in, bleek er talent voor te hebben en zijn driftbuien werden beduidend minder omdat hij zich lekker kon afreageren op zijn drumstel.

Op de middelbare school voor speciaal onderwijs ging het goed met hem. Hij zei niet: “Ik ga naar school,” maar ging ’s morgens de deur uit met de tekst: ”Ik ga naar mijn vrienden.” De leraren mochten hem graag, hij versloeg zijn wiskundeleraar soms met schaken, deed de tekenleraar versteld staan vanwege zijn tekentalent en leverde op het aller-allerlaatste nippertje zijn werkstukken in. Hij slaagde met een mooie cijferlijst. Ook op sociaal vlak maakte hij enorme vorderingen. Hij ging in een band spelen en de jongens van de band ontfermden zich vaderlijk over de jonge knul.

Hij liet zijn haar lang groeien en bleek prachtige pijpenkrullen te hebben! Ook droeg hij een hele periode lang alleen maar zwarte gothic kleding. Als we naar de kerk gingen werd hij enorm aangestaard door de bekrompen gemeente. Het interesseerde hem – terecht – geen bal. Ik heb er heel wat ruzies met mijn toenmalige man over gehad. Die wilde dat zijn zoon zich ‘normaal’ kleedde en naar de kapper zou gaan. Maar ik zag er echt geen kwaad in. Wat gaf dat nou, dat hij zijn eigen identiteit probeerde te vinden? Ik vond het prima.

Mijn zoon besloot dat hij naar het grafisch lyceum wilde. Qua tekentalent een prima keuze, maar zijn grootste probleem – planmatig werken – werd hem hier helaas fataal. Hij kon zich er niet langer doorheen bluffen en moest stoppen met zijn opleiding.

Hij kwam thuis te zitten en werd een beetje apathisch. Bovendien vertelden wij -  zijn ouders -  hem, dat we gingen scheiden. Ik was niet verbaasd, toen hij me zei, dat hij bij zijn vader bleef wonen. De keuze was gebaseerd op de vertrouwde omgeving; hij wilde niet weg uit het huis dat hij zo goed kende, van zijn slaapkamer, uit zijn woonplaats en bij zijn vrienden vandaan.

Wel maakte ik me zorgen; de band tussen hem en zijn vader was erg slecht. Zijn vader begreep niks van hem, en hij snapte op zijn beurt niets van zijn pa.
Met pijn in mijn hart en een bang gemoed vertrok ik met zijn jongere broer en zus naar Rotterdam. Ik miste hem. Maar hij is geen beller of mailer, dus ik moest het echt van de weekenden hebben dat hij bij mij kwam. Na een paar maanden belde zijn vader om te vragen, wat zijn oudste zoon nou eigenlijk mankeerde… Hij had zich nooit in Asperger verdiept.

Toen ik aan mijn kinderen vertelde dat ik een vriend had, en toen mijn vriend kwam kennismaken, was mijn oudste zoon degene die het snapte en die het me gunde. Zijn broer en zus hadden er veel meer moeite mee. Maar hij heeft mijn vriend meteen in zijn hart gesloten en andersom.

De droom van het grafisch lyceum heeft hij moeten laten varen. Ook het conservatorium – zijn tweede keuze – bleek te hoog gegrepen. Maar ik ben toch wel apetrots op hem. Hij heeft nu een fulltime baan bij een meubelbedrijf. Hij brengt samen met zijn collega meubels bij de mensen thuis. Manoeuvreert de zwaarste meubels door trapgaten. Zet de ingewikkeldste kasten in mekaar. De verstandhouding met zijn vader is ook beter geworden. Gelukkig maar. Nog steeds speelt hij in de band: ‘Kiss of dawn’. Hij heeft de naam en het logo bedacht voor de band. http://kodrocks.hyves.nl/

Op acht mei hopen mijn vriend – u allen bekend als Driek Oplopers – en ik in het huwelijk te treden. Voor mij lag het voor de hand: ik wil mijn oudste zoon als getuige bij ons huwelijk. Mijn vriend is het ook hartroerend eens met deze keuze van mij. En gelukkig heeft mijn zoon het blij verrast geaccepteerd.

Vorige week werd mijn oudste zoon negentien jaar. Maar hij vierde het niet. Want hij houdt daar niet van. Prima. Zijn keuze. De keuze van een eigenzinnige jongen. Kom ik erg over als een trotse moeder? Ja? Mooi zo. Want: ik ben heel erg trots op mijn zoon. Wat een mooie jongen. Wat een mooi mens. 

 

Zie voor foto: http://trudynielsen.hyves(...)os/519268369/0/tQwG/