4. De schatkaart van 'Nieu Flevolandt'

Na de inleiding, de geboorte en de jeugd van de Hollandse piraat Hein Hoerenzn Pietersz zijn we reeds aanbeland in het jaar 1621. Het jaar dat Hein 'Nieu Flevolandt' zal ontdekken..?

- In taveerne 'Aen Laegere Wal' - vetrouwelijk gesprek met kastelein Stille Willem - Hein tekent een klad van het eilandje met de schat -

Een jong heerschap, met een raaf op zijn rechterschouder, was langs de luifels van de warmoezerijen in de Amsterdamse Warmoesstraat gelopen. Uit een van de manden met appels en peren die onder de luifels op straat gestald waren, gapte hij een appeltje, en voerde deze aan de raaf. Hij liep verder, door de Kerkstraat, en schoot even later de Armsteeg in, om via een trapje taveerne 'Aen Laegere Wal' binnen te stappen.
"Yo Ho! Hein Hoerenzn Pietersz! Jou heb ik een lange tijd niet gezien!", riep stille Willem, de kale kastelein van 'Aen Laegere Wal', van achter de toog. "Welk van de zeven zee-en heb je nu weer bevaren? Neem gauw een slok bier, en steek van wal!"
-"Van wal steken? Ik ben net terug aan wal! Goede stuurlui vind je daar overigens! Maar dat terzijde! Een stuk minder terzijde is mijn dorst, dus geef me liever een roestwater met witte rum voor ik je doorboor met zeven kogels!"
Hein had zijn revolver nog niet kunnen richten, of hij was al voorzien van zijn favoriete drank. Hij was op een kruk achter de toog gaan zitten, dronk het glas leeg, en keek Willem vervolgens doordringend aan. De kastelein haastte zich om zijn ruwe klant een nieuwe drank voor te zetten.
-"Niet te veel rum, stille, ik moet nog varen."
"O? Naar waarheen gaat de reis?", vroeg stille Willem, die niet zozeer stil werd genoemd omdat hij zo weinig sprak; hij werd voornamelijk 'stil' genoemd omdat hij voor geen goud zijn klanten aan de autoriteiten zou verlinken. Al viel er natuurlijk altijd wel te onderhandelen.
Bijvoorbeeld met wat goud.
Maar Willem wist eigenlijk, diep in zijn hart, en minder diep in zijn beurs, dat hij aan het rapalje meer kon verdienen dan aan de Republiek. Dus zweeg hij zweeg ten allen tijde.
Of, zoals hij zelf altijd zei: "..."

Van Heins reis wilde stille Willem echter meer weten, dus daarom vroeg hij waarheen de reis ging.
-"Naar de Oost, via de Noord", antwoordde Hein.
"Via de Noord?", vroeg Willem verbaasd.
"Juist. Via de Noord, ja! Wie voer twintig jaar geleden als eerste rond de wereld? Was dat Olivier van Zuit? Of Van Oosd? Of Verwest? Neen. Het was Olivier van Noort. Ik ga via de Noord. Ik heb een kaperbrief op zak, mij maak je niks wijs. Die brief is hartstikke vals natuurlijk, maar dat is het geld waarmee ik je straks betaal OOK! Dus dat is het probleem niet! Of wel soms?" Hein boog over de bar, en greep stille Willem bij zijn strot. De raaf was even opgevlogen, daalde weer neer op Heins schouders en spreidde dreigend en klapperend zijn vleugels.
"Nee, dat is geen probleem!", gorgelde stille Willem.
Hein Pietersz liet de kastelein los, en ging weer achterover op zijn kruk zitten. Hij nam een slok van zijn rum-roestwater. "Kom, Willem. Laten we bedaren. Als ik terugkeer betrek ik een pand aan de Heerengracht, en zal ik mijn verdere fortuin hier, in jouw taveerne, verbrassen. En reken maar dat ik daar mijn eeuwigdurende dorst mee kan lessen."
-"Zo zo. Nu, ik hou me aanbevolen."
"Een aanbevolen stamp op je muil kun je krijgen! Maar zeg eens.. Kun jij een geheim bewaren?"
Stille Willem knikte. "Natuurlijk! Dat zweer ik op het graf van mijn schoonmoeder!"
"Het graf van je schoonmoeder? Is ze dood dan?"
Stille Willem sloeg een hand voor zijn mond, alsof hij zich schaamde. Vervolgens liep hij naar het achtervertrek. Een ogenblik later hoorde Hein een doffe knal. Willem kwam terug, boog zich nieuwsgierig voorover, en zei: "Nu wel. Kom op, vertel!"

"Wel..", zei Hein enigszins verveeld, "Je had beter op het graf van Jan Huygen van Linschoten kunnen zweren, want die is al tien jaar dood. Aan de andere kant, heeft dat verse lijk in je achterkamer ooit het boek 'Voyagie ofte Schipvaert near Oost ofte Portugaels Indien' geschreven?"
"Nee", aarzelde Willem, "Dat kan mijn schoonmoeder niet geweest zijn. Ten eerste kon ze niet schrijven, ten tweede kon ze niet lezen, ten derde kon ze niet koken, ten vierde is ze tijdens haar meest verre reis naar haar zuster in Halfweg al halverwege teruggekeerd, want ze kreeg heimwee. En ten vijfde.."
"Bespaar me je 'ten vijfde, kuiken van een uil!', snauwde Hein woedend.
"Om nu de duizend redenen aan te horen waarom dat kalf van een schoonmoeder dat boek niet heeft kunnen schrijven is omdat Jan Huygen dit geschreven heeft! En laat die Jan Huygen nu eens een gedegen kaartenmaker zijn! Alleen daarom is het Willem Jansz gelukt om met De Duyfken zo ver te komen.

EEN fout hebben ze gemaakt, namelijk een interessant eilandje bakboord laten liggen, terwijl het stuurboord lag!" Stille Willem had ademloos geluisterd, dus snakte hij naar adem. Hein ging echter onverdroten door met zijn relaas. "Het eilandje waar ik het over heb zal ik 'Nieu Flevolandt' noemen. Het is een nietig eilandje, slechts zo'n tien mijlen breed, dus goed te verdedigen, en een perfecte uitvalsbasis om geroofde goederen op te slaan. Zeker omdat de oostkust zo oostelijk ligt dat de West Indische Compagnie er bijna aanspraak op kan maken. Het ligt praktisch tegen Kaap Hoorn aan! En, niet onbelangrijk lijkt me: in het zuidoosten van 'Nieu Flevolandt' ligt een schat. Geef me een vel papier, dan teken ik het eilandje in klad!


Schets van de schatkaart van 'Nieu Flevolandt', (C) Hein Hoerenzn Pietersz, 1621

(wordt vervolgd)