De dood van Japie

Francesca
Kattenhaat werd mij met de paplepel ingegoten, mijn vader had een bloedhekel aan die beesten en niet zonder reden: hij hield van vogels, van tropische vogels in het bijzonder.
Het kostte hem bloed, zweet en tranen, maar daar stond het dan eindelijk: een prachtige volière, in onze achtertuin, tegen het schuurtje aan gebouwd. Vol enthousiasme stortte mijn vader zich op zijn allernieuwste hobby: volièrevogels. Zijn volière werd gevuld met dure vogels: Mozambiquesijsjes, Japanse meeuwtjes, zebravinken en de beste zangkanaries, allemaal koppeltjes natuurlijk, nestelen en broeden moesten ze, hoe meer vogelzielen, des te groter de vreugde van Pa.

Voor zijn vogeltjesperiode stond mijn vader bekend als een aimabel persoon, geliefd in de buurt en met iedereen dik bevriend, maar daar kwam snel verandering in, alle buurtjes met katten raakten uit de gratie. Vooral onze achterbuurman, eigenaar van een lui en vet exemplaar, een monster van een kat, moest voortaan op zijn tellen én op zijn kat passen.
Het was zijn achterbakse gruwel die elke nacht over het dak van onze schuur sloop. Het beest bleek ook erg dom, steevast liet hij zich vanaf die plek op de volière vallen, maar iedere keer belandde hij keihard op het stevige gaas, plat en pijnlijk hard op zijn dikke kattenpens en dan gilde hij de hele buurt bij elkaar.
Mijn vader, gealarmeerd door het angstige gekwetter van zijn gevederde oogappeltjes en het geschreeuw van de gruwel, gooide onmiddellijk zijn slaapkamerraam open, maar zijn hartgrondige vloek kwam altijd te laat: de gruwel had zich allang weer teruggetrokken en een totale chaos achtergelaten.
Tijdens het ochtendgloren werden de slachtoffertjes geruimd. Diep getroffen was ik, door de blik van mijn vader bij het zien van de dode, piepjonge vogeltjes in zijn hand, allen uit het veilige nest gevallen en van schrik gestorven. Met verdrietige blik inspecteerde hij de geruïneerde liefdesnestjes, de kapotte eitjes én de afgekoelde, de niet meer levensvatbare.
Alle mannetjesvogels leken in diepe rouw gedompeld. Ze hielden hun snaveltjes stijf op elkaar, er viel geen enkele vrolijke noot te beluisteren.
Op zulke momenten haatte ik die kat, álle katten, maar die achterbakse gruwel in het bijzonder, net zo erg als mijn vader deed.

Mijn vader leerde in die periode nog veel meer over vogels, meestal door schade en schande. Hij ontdekte dat niet alleen katten zijn vogeltjesbestand minimaliseerden, maar dat ook ratten zich daar schuldig aan maakten. Gelokt door het verse vogelvoer in de grote voordeelzak van de dierenwinkel, lieten zij het zich goed smaken, zo'n vers vogeleitje of piepklein, roze vogeljonkie.
Ook de aankoop van een bijzonder mooi vogelpaar pakte rampzalig uit. Het angstige gekwetter werd de daaropvolgende nacht niet veroorzaakt door de achterbakse gruwel, maar door de rooftocht van het allernieuwste duo, een stel parkieten, nestrovers van het ergste soort. Met hun kromme snavels hielden zij beestachtig huis in de volière, geen eitje, geen jonkie bleef gespaard, alles moest kapot. Het werd een drama dat zijn weerga niet kende, nooit eerder bleef het zo stil in de volière.

Maar het ergst vond hij vast en zeker hetgeen ik hem ooit aandeed. Ik had altijd al moeite om mijn handjes thuis te houden, maar van Japie in de broedkooi had ik écht af moeten blijven.
Japie was een dwergkwartel, de lieveling van mijn vader, een met veel tijd en moeite kunstmatig uitgebroed kwarteltje bovendien. Japie was bijzonder: hij was het allereerste kwarteltje dat met succes in de broedkist van mijn vader werd uitgebroed. Tijdens zijn geboorte ging het nog bijna mis: Japie moest door mijn vader uit zijn eitje worden geholpen. Zoiets schept natuurlijk een band, dat begreep ik best.
Nadat Japie een beetje was opgekalefaterd, was hij werkelijk schattig om te zien, zó onweerstaanbaar lief. Met zijn bruine, bolle lijfje rende Japie dapper en vrolijk piepend door de broedkist, waarna hij keihard tegen de houten wand aan botste en achterover op zijn kwartelkontje viel. Hij had geen mama die hem troosten kon, daarom vond ik dat ik hem troosten moest. Ik wilde hem alleen maar even vasthouden, even troosten, héél eventjes maar, ondanks het verbod van mijn vader. Want Japie was lief, maar ook zo ontzettend kwetsbaar.
Japie stierf een snelle dood tussen mijn grijpgrage vingers, zijn dood was onbedoeld en onbegrijpelijk. Zijn jonge leventje, in één oogwenk voorbij, nog voordat het goed en wel gestart was, ik kon het haast niet bevatten.

Hoewel de dood van Japie een onvergetelijke ervaring was, een keiharde levensles, is mij nog iets héél anders bijgebleven: de blik waarmee mijn vader mij bekeek. Een blik vol afschuw was het, dezelfde blik waarmee hij altijd naar de achterbakse gruwel keek.

Morgen is het Werelddierendag, de dag waarop ik altijd even aan Japie denk, en aan mijn vader, héél even maar...