Kinderen kunnen verzuipen; geen terugkeer schoolzwemmen
Het verplichte schoolzwemmen, waarvoor een Kamermeerderheid in februari vorig jaar nog pleitte, keert niet terug in het Nederlandse basisonderwijs. Staatssecretaris Vincent Karremans (VVD) heeft dit besluit genomen omdat herinvoering volgens het kabinet te duur en organisatorisch onhaalbaar is. Karremans maakte dit vrijdag bekend in een uitgebreide brief aan de Tweede Kamer.
Volgens Karremans zou de herintroductie van schoolzwemmen jaarlijks zo'n 145 miljoen euro kosten, een bedrag waarvoor geen ruimte is binnen de huidige begroting. Daarbij komt dat scholen naar verwachting tussen de 94 en 111 extra lesuren per jaar kwijt zouden zijn aan het organiseren van zwemlessen, wat ten koste gaat van de tijd die scholen kunnen besteden aan basisvaardigheden zoals lezen, schrijven en rekenen. Deze keuze sluit aan bij de prioriteiten die in het regeerprogramma en het hoofdlijnenakkoord zijn vastgelegd.
Naast de financiële en organisatorische bezwaren blijkt er weinig draagvlak voor het verplichte schoolzwemmen binnen het onderwijsveld. Uit onderzoek in opdracht van het ministerie blijkt dat tussen de 74 en 81 procent van de schoolleiders negatief tegenover de herinvoering staat. Leraren ervaren nu al een hoge werkdruk en zien het organiseren en begeleiden van zwemlessen niet als hun taak. Omkleden, vervoer en de zwemlessen zelf kosten te veel tijd, vinden zij.
Toch erkent Karremans dat het groeiende aantal kinderen zonder zwemdiploma een zorgwekkend probleem is. In 2018 had ruim 94 procent van de kinderen tussen zes en zestien jaar minimaal één zwemdiploma, terwijl dat in 2022 was gedaald naar 87 procent. Vooral kinderen uit gezinnen met een laag inkomen of met een migratieachtergrond blijven achter. Zo heeft ongeveer 25 procent van de kinderen in de laagste inkomensgroep geen zwemdiploma, terwijl dit percentage bij hogere inkomensgroepen slechts 2 procent bedraagt. Ook kinderen met een migratieachtergrond behalen minder vaak een diploma: 28 procent heeft er geen tegenover slechts 5 procent van kinderen zonder migratieachtergrond.
De kosten voor het behalen van het basiszwemdiploma A variëren van 500 tot 1100 euro per kind, inclusief inschrijving, lesgeld, afzwemmen en vervoer. Voor gezinnen met beperkte financiële middelen zijn deze kosten vaak onoverkomelijk. Hoewel vrijwel alle gemeenten regelingen hebben om deze gezinnen financieel te ondersteunen, worden deze regelingen vaak niet goed gevonden of begrepen. Karremans wil daarom snel met gemeenten in overleg om deze financiële steun beter toegankelijk en duidelijker vindbaar te maken.
Naast deze financiële ondersteuning zet Karremans in op het vergroten van het bewustzijn over het belang van zwemvaardigheid, het werven van extra zweminstructeurs en het verminderen van de afstand tot zwembaden. Bovendien wil het kabinet kinderen zonder zwemdiploma beter ‘in beeld krijgen’, zodat zij alsnog ten minste één zwemdiploma kunnen halen. Daarbij wordt ook specifiek gekeken naar nieuwkomers. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) zal extra campagnes voeren om asielzoekers en statushouders te wijzen op het belang van zwemlessen.
Hoewel de terugkeer van schoolzwemmen volgens Karremans onhaalbaar is, erkent hij wel dat zwemlessen via scholen effectief zijn. Door zwemonderwijs via het basisonderwijs te regelen, kun je volgens hem ‘hele generaties in ieder geval één zwemdiploma laten halen’. Maar onder de huidige omstandigheden zou dit dus geen realistische optie zijn.
Schoolzwemmen werd oorspronkelijk in de jaren zestig van de vorige eeuw verplicht gesteld vanwege het belang van zwemvaardigheid in een waterrijk land als Nederland. Kinderen gingen wekelijks één uur naar het zwembad om onder toezicht hun diploma te behalen. Sinds gemeenten vanaf de jaren tachtig verantwoordelijk werden voor de financiering van schoolzwemmen, zijn steeds meer scholen ermee gestopt. Van 90 procent van de scholen in 1990 daalde dit aandeel naar slechts 26 procent in 2021.
Een recent onderzoek van het ministerie van Volksgezondheid schatte zelfs dat het herinvoeren van uitgebreid schoolzwemmen tot een bedrag van 212 miljoen euro per jaar kon oplopen, als álle leerlingen vanaf groep 1 zouden doorgaan tot het behalen van diploma's A, B en C. Hoewel datzelfde onderzoek berekende dat ouders hiermee tijd en geld besparen (gezamenlijk goed voor ruim een half miljard euro aan tijdbesparing en 177 miljoen euro aan kostenbesparing) overtuigde dit het kabinet niet om alsnog tot herinvoering over te gaan.
De stijging van het aantal kinderen zonder diploma heeft ook een concreet risico: in 2022 verdronken in Nederland 73 mensen, van wie negen jonger dan twintig jaar. De onderzoekers noemden deze cijfers ‘zorgelijk’ en wezen op het belang van een goede zwemvaardigheid.
Karremans benadrukt dat hij zich inzet om het aantal kinderen zonder zwemdiploma terug te brengen van 13 procent nu, naar maximaal 10 procent in 2028 en zelfs naar 5 procent in 2030. Hoewel schoolzwemmen niet terugkomt, blijft het vergroten van zwemvaardigheid volgens Karremans een speerpunt voor het kabinet.