Advies over initiatiefwetsvoorstel online aangejaagde openbare-ordeverstoring
De Raad van State zet vraagtekens bij een initiatiefwet die burgemeesters extra macht moet geven om online oproepen te laten verwijderen. Het gaat om een voorstel van VVD-Kamerlid Michon-Derkzen om de Gemeentewet en de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba aan te passen. Met die wijziging krijgen burgemeesters en gezaghebbers een nieuwe bevoegdheid om de openbare orde te beschermen als online berichten mensen aanzetten tot onrust of rellen. Het advies van de Afdeling advisering is op 2 maart 2026 openbaar gemaakt.
De kern van het plan is een nieuw instrument: het verwijderbevel. Dat is een bevel van de burgemeester aan degene die een online bericht heeft geplaatst. Als dat bericht de openbare orde verstoort of volgens de burgemeester een ernstige kans op verstoring geeft, kan hij of zij de plaatser verplichten om het bericht weg te halen. De initiatiefnemer ziet dit als een aanvullend middel naast bestaande mogelijkheden om op te treden tegen ongeregeldheden die via internet worden georganiseerd.
De Raad van State erkent dat online uitlatingen kunnen leiden tot gedrag dat de samenleving ontwricht, en begrijpt dat daartegen juridische middelen gewenst zijn. Tegelijk wijst de Afdeling erop dat elke extra bevoegdheid moet passen binnen de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Een verplichting om een bericht te verwijderen grijpt direct in op de vrijheid van meningsuiting. Als het bericht oproept tot deelname aan een demonstratie, raakt zo’n bevel ook aan het demonstratierecht. Volgens de Raad moet daarom heel precies vaststaan wanneer zo’n verwijderbevel is toegestaan en moet het middel noodzakelijk, geschikt en evenwichtig zijn.
Volgens de Raad van State is dat nu niet het geval. Het begrip "openbare orde" is breed en vaag, terwijl het voorstel die term als basis neemt voor de nieuwe bevoegdheid. Daardoor is voor burgers lastig te voorspellen wanneer hun bericht een verwijderbevel kan opleveren. De Afdeling vindt dat te ruim en adviseert om in de wet zelf beter te begrenzen in welke situaties een burgemeester zo’n bevel mag inzetten. Zonder die scherpere afbakening is het risico groot dat de bevoegdheid te ver reikt.
Ook over de praktische kant is de Afdeling kritisch. Om de maatregel nodig en geschikt te kunnen noemen, moet hij in de praktijk effect hebben. De Raad twijfelt sterk daaraan. In veel gevallen zal vooraf niet helder zijn welke burgemeester over een bepaald online bericht gaat. Bovendien moet ingrijpen snel gebeuren om impact te hebben, terwijl niet duidelijk is hoe een burgemeester op tijd alle juiste, rechtmatige informatie krijgt om zo’n besluit te nemen. De initiatiefnemer moet volgens de Raad goed onderbouwen waarom dit in de praktijk wel werkt, en zo nodig de wet aanpassen.
Verder kijkt de Raad naar de vraag of het middel in verhouding staat tot het doel. Er zijn al veel mogelijkheden om online ophitsing en het organiseren van ordeverstoringen aan te pakken, variërend van strafrechtelijke middelen tot informele afspraken en verzoeken aan platforms. Omdat er nu al een breed pakket aan instrumenten bestaat, is niet helder welke extra waarde dit nieuwe verwijderbevel precies heeft. Ook daar vraagt de Afdeling om een stevige toelichting: waarom is dit nieuwe middel nodig bovenop wat er al is?
De conclusie van de Raad van State is fors. De Afdeling advisering ziet meerdere juridische en praktische bezwaren bij het initiatiefvoorstel. Zij adviseert daarom om het wetsvoorstel niet verder te behandelen, tenzij de initiatiefnemer het grondig wijzigt en de noodzaak, werking en grenzen van de nieuwe bevoegdheid veel beter uitlegt. Daarmee ligt de bal nu bij Michon-Derkzen: zij zal het voorstel moeten aanscherpen als ze het plan voor een online verwijderbevel in leven wil houden.
