Onrust rondom Indië-onderzoek groeit

Opnieuw is er beroering rondom het grote Indië-onderzoek. Terwijl de resultaten pas begin volgend jaar worden gepresenteerd, zorgt een onlangs gepubliceerde brochure nu al voor ophef. Federatie Indische Nederlanders (FIN) begrijpt de groeiende zorgen. “Het lijkt er helaas steeds meer op dat de onderzoekers hun eenzijdige en partijdige opzet niet hebben weten te ontstijgen”, aldus Hans Moll.

Alhoewel de betrokken onderzoekers hun kaken stijf op elkaar houden doet de brochure – over de verschillende deelstudies en het samenvattende overzichtswerk – het ergste vermoeden. Vooral de suggestieve titels, teksten en algehele sfeer geven de indruk dat de onderzoekers de opdracht van het kabinet, om “nadrukkelijk in te gaan op de brede context van de naoorlogse dekolonisatie”, naast zich hebben neergelegd en simpelweg afsteven op een veroordeling van Nederland(se militairen) voor het geweld. Inmiddels heeft het ook Veteranen Platform (VP) opnieuw tegen het onderzoek stelling genomen. “Het heeft er nu alle schijn van dat onze Nederlandse en KNIL veteranen worden geslachtofferd en als zondebok worden aangewezen voor het wederzijds gebruik van (incidenteel buitensporig) geweld”, aldus het VP in een statement. Diverse bronnen bevestiging tegenover FIN dat de kritiek van het VP achter de schermen breed wordt gedeeld.

De ‘activistische’ brochure roept weliswaar verontwaardiging op, maar voor Moll komt zij niet als een verrassing. De voorzitter houdt zijn hart vast voor de uiteindelijke resultaten. “Uit de brochure blijkt dat, anders dan de onderzoekers altijd beweren, niet de ‘verschillende’ perspectieven bij dit onderzoek leidend zijn, maar vooral het perspectief van toenmalige vijand Indonesië. Dat doet geen recht aan de geschiedenis en geen recht aan de ruim 200.000 Nederlandse militairen die in voormalig Nederlands-Indië door onze regering zijn ingezet. Het doet ook geen recht aan het feit dat het overgrote deel loyaal, integer en naar eer en geweten heeft gehandeld. Het doet geen recht aan de bescherming die militairen hebben geboden aan alle vredelievende bevolkingsgroepen van de Indische archipel. En het doet evenmin recht aan de vele burgerslachtoffers die door toedoen van Indonesiërs vielen tijdens de Bersiap, de 6.300 gesneuvelde militairen en hun nabestaanden”, aldus Moll.

De brochure ondersteunt critici die menen dat het onderzoek het Nederlandse leed tijdens de Bersiap bagatelliseert. Vanaf de start van het onderzoek is er kritiek op de bevooroordeelde houding ten opzichte van de Bersiap en – in het verlengde daarvan – het betrekken van Bersiap-ontkenners bij het onderzoek. Ook het relatief geringe aantal onderzoekers dat op deze episode is gezet wekt argwaan. De ongerustheid werd verder aangewakkerd toen onderzoekers in een verklaring aankondigden dat zij de Bersiap willen 'herconceptualiseren'. Volgens de onderzoekers heeft de herconceptualisering echter “niet tot doel ‘het Nederlandse leed te bagatelliseren’, zoals sommigen vrezen”. De onderzoekers hebben echter de schijn wel tegen, want ook op hun website wordt de Bersiap weggezet als een periode waarover “veel onduidelijkheden en mythes” bestaan.

Het Indië-onderzoek ligt van meet af onder vuur vanwege de eenzijdige en partijdige opzet, maar ook omdat individuele onderzoekers met regelmaat de controverse zoeken. Zo zagen Anne-Lot Hoek en Remco Raben eerder geen probleem in hun pleidooi straten en pleinen naar Soekarno te vernoemen, terwijl Nederlandse standbeelden zouden moeten worden verwijderd. Ook de bizarre bewering van Rémy Limpach, dat “racisme in het DNA van KNIL-officieren” zou zitten, sorteerde woedende reacties. Vrij recent deed ook Fridus Steijlen een duit in het zakje. De onderzoeker blijkt auctor intellectualis van het eenzijdige frame van de 'anti-Nederlandse propagandafilm' De Oost. Eerder weersprak Het NIOD de verwijten van partijdigheid nog door te stellen dat het individuele onderzoekers vrij staat om deel te nemen aan het maatschappelijke debat, maar dat standpunt lijkt door de gewraakte brochure inmiddels onhoudbaar.